Verleg focus: van oneigenlijk gebruik naar kansrijk maken van aangiften

Verleg focus: van oneigenlijk gebruik naar kansrijk maken van aangiften

Op 5 maart bood de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het vooronderzoek ‘oneigenlijk gebruik van de verblijfsregeling mensenhandel’ aan de Tweede Kamer aan. Dit onderzoek is onder leiding van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum uitgevoerd door Regioplan en verkent in hoeverre het mogelijk is om misbruik vast te stellen. De discussie over misbruik van de verblijfsregeling mensenhandel woedt al geruime tijd en hoewel diverse maatregelen zijn aangekondigd om oneigenlijk gebruik te bestrijden, ontbreken betrouwbare cijfers waaruit de omvang van het misbruik blijkt. De Nationaal rapporteur deed in 2012 al onderzoek naar de verblijfsregeling mensenhandel. Destijds besloot zij bewust geen onderzoek te doen naar de mate van misbruik van die regeling, simpelweg omdat dit volgens haar niet mogelijk is.

Vooronderzoek oneigenlijk gebruik

In het vooronderzoek is verkend in hoeverre het mogelijk is om misbruik in een representatief, kwantitatief onderzoek vast te stellen. De bevindingen van de onderzoekers zijn helder: het is onder de huidige omstandigheden niet mogelijk om vast te stellen hoe vaak oneigenlijk gebruik van de verblijfsregeling voorkomt. Belangrijkste reden hiervoor is dat de indicatoren van oneigenlijk gebruik van mensenhandel onvoldoende gevalideerd kunnen worden.

Reactie Nationaal rapporteur

‘De bevindingen in het vooronderzoek zijn duidelijk’, aldus de Nationaal rapporteur. ‘Hoewel misbruik van de verblijfsregeling mensenhandel voor zal komen zoals bij elke regeling het geval is, is voor de bewering dat dit in grote mate gebeurt bij de deze regeling nochtans geen bewijs gevonden. Daarbij komt dat dit bewijs in de nabije toekomst ook niet verwacht kan worden, zoals blijkt uit het vooronderzoek’. Ofschoon de signalen vanuit de opsporing over misbruik nopen tot blijvende waakzaamheid, is het volgens de Nationaal rapporteur nodig dat ingezet wordt op het kansrijk maken van aangiften met weinig opsporingsindicaties. Zoals in de Zevende rapportage al is aanbevolen en in 2013 in de Negende rapportage is herhaald, is er veel aan gelegen om in te zetten op kwalitatief betere aangiften; aangiften die ervoor zorgen dat mensenhandelaren de straf krijgen die ze verdienen en slachtoffers de bescherming die ze nodig hebben.

Hoe nu verder

Binnen de categorale opvang slachtoffers mensenhandel worden slachtoffers in een vroegtijdig stadium gescreend. Deze screening wordt nog onvoldoende benut om na te gaan of, en wanneer, het slachtoffer in staat is om te verklaren. Naar verwachting valt hier winst te halen met het oog op kwalitatief betere aangiften. Ook is het nodig om aankomende tijd meer te gaan investeren in de vraag hoe het vertrouwen in de politie van slachtoffers van mensenhandel verder verbeterd kan worden. Dat kan bijvoorbeeld door te onderzoeken hoe de politie het beste rekening kan houden met culturele achtergronden, eventuele zwakbegaafdheid en de psychische gevolgen van het opgelopen trauma van het slachtoffer van mensenhandel. De verwachting is dat dit zich zal uitbetalen in aangiften met meer opsporingsindicaties én uiteindelijk leidt tot een effectievere aanpak van mensenhandel.

Tot slot: inperking verlening bedenktijd

Verder schrijft de staatssecretaris in de aanbiedingsbrief dat hij de optie open houdt om het verlenen van de bedenktijd aan slachtoffers in te perken voor slachtoffers die langer dan drie maanden uit de uitbuitingssituatie zijn. De Nationaal rapporteur heeft haar bezwaren hiertegen al eerder gedeeld met de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel in een brief van 29 mei 2012. In deze brief heeft de Nationaal rapporteur aangegeven dat de inperking op gespannen voet staat met het verdrag van de Raad van Europa ter bestrijding van mensenhandel. Ook wordt bij de fundering van de voorgestelde aanpassing uitgegaan van een te restrictieve uitleg van de functie van de bedenktijd. Het verlenen van de bedenktijd is bedoeld om slachtoffers de mogelijkheid te geven na te denken over het wel of niet doen van aangifte én het slachtoffer te informeren over de juridische en praktische implicaties van een aangifte, zodat hij/zij een afgewogen beslissing kan maken. Bovenal is het de Nationaal rapporteur niet duidelijk voor welk probleem deze inperking van de bedenktijd een oplossing biedt.