Statement van de Nationaal Rapporteur ter gelegenheid van de Week tegen Kindermishandeling

Statement van de Nationaal Rapporteur ter gelegenheid van de Week tegen Kindermishandeling

Resultaten van onze aanpak van seksueel geweld tegen kinderen moeten meetbaar zijn, betoogt Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen in haar jaarlijkse statement aan het begin van de Week tegen Kindermishandeling. De week eindigt op 20 november, de internationale dag van het kind.

Vandaag start de Week tegen Kindermishandeling. Het doel: de samenleving meer bewust te maken van kindermishandeling. Als Nationaal Rapporteur vraag ik vooral uw aandacht voor seksueel geweld tegen kinderen. Maar ik wil er niet alleen aandacht voor. Ik wil weten dat we als samenleving kinderen die hier slachtoffer van worden ook echt helpen. Daarom vind ik dat de resultaten van onze aanpak meetbaar moeten zijn. Want zoals het gezegde luidt: meten is weten.

Gezamenlijk moeten wij streven naar de eliminatie van alle vormen van seksueel geweld tegen kinderen. De Verenigde Naties concretiseerden deze wereldwijde ambitie vorig jaar in twee van de zeventien Sustainable Development Goals. Doel vijf (gendergelijkheid van vrouwen en meisjes) en Doel zestien (een vreedzame, inclusieve samenleving) vragen om het beëindigen van alle vormen van geweld –waaronder dus seksueel geweld- tegen respectievelijk vrouwen en meisjes, en tegen kinderen. Deze duurzame ontwikkelingsdoelen zullen tot 2030 wereldwijd nagestreefd worden.

Maar de Verenigde Naties stoppen niet bij het voor alle landen stellen van mooie doelen. Om te weten of de doelen bereikt worden, maken zij deze ook meetbaar door middel van indicatoren. De Verenigde Naties bewaken met behulp van deze indicatoren dat landen de doelen die zij zichzelf opgelegd hebben ook bereiken. Zo ziet elk land of het goed op weg is, en waar het nog aan moet trekken. Er is dus een wereldwijde instemming dat de aanpak van seksueel geweld tegen kinderen gemeten moet worden.

Ook Nederland doet uiteraard zijn best het aantal slachtoffers, en hun leed, te verminderen. In het afgelopen jaar gebeurde dan ook het nodige: Politie en Openbaar Ministerie wijzigden hun werkwijze opdat aangifte doen van zedendelicten laagdrempeliger wordt. Slachtoffers heten daarbij voortaan slachtoffers en niet aangevers. De regering besloot Veilig Thuis steviger en laagdrempeliger te maken zodat meer mishandelde kinderen op de radar komen. Het aantal Centra voor Seksueel Geweld, waar slachtoffers zorg en politie onder één dak kunnen vinden, groeide van acht naar dertien. Nederland kijkt ook over de grens: ons land is de belangrijkste financier van een internationaal onderzoek naar kindersekstoerisme, om misbruik van kinderen niet alleen in Nederland maar ook in de rest van de wereld tegen te gaan.

Niet alleen de overheid richt zich op seksueel geweld tegen kinderen. Ik sprak dit najaar met Stevie Bos, de zeventienjarige winnares van Pimp de Troonrede. Haar alternatieve Troonrede vroeg om meer aandacht voor de omgang met slachtoffers van seksueel geweld in politieopleidingen. Ik ben onder de indruk dat een kind hiervoor aandacht vraagt. Het laat zien dat ook de Nederlandse samenleving meedenkt over dit probleem.

Stuk voor stuk zijn dit mooie stappen. Ik hoop en verwacht dat deze het leed van kinderen zullen verminderen. Maar we moeten niet tevreden zijn met hopen en verwachten, we moeten willen weten dat wat we doen helpt.

Dat lukt in Nederland nu op veel fronten nog niet. Er zijn 71 erkende interventies van jeugdhulpinstanties voor hulp aan slachtoffers van seksueel misbruik. Slechts twee hiervan zijn echter ‘bewezen effectief’. De rest is ‘goed onderbouwd’: men verwacht dat het werkt, maar weet het niet. Hetzelfde geldt voor de twee erkende interventies voor het terugdringen van recidive van (jonge) zedendelinquenten. Sinds de decentralisatie van de jeugdhulp naar de gemeenten is onmogelijk te achterhalen hoeveel slachtoffers van kindermishandeling en seksueel misbruik hulp krijgen en in welke vorm. Over eerdergenoemde ontwikkeldoelen concludeert het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) dat voor het meten van de indicator voor kindermishandeling ‘cijfers nog niet voorhanden zijn’. Hetzelfde CBS concludeert dat uit de cijfers van Veilig Thuis geen landelijk beeld te maken valt vanwege alle inconsistenties erin. Hoe weten we dan of onze aanpak daadwerkelijk doet wat hij moet?

Ik weet dat Nederland, net als de Verenigde Naties, zoveel mogelijk slachtoffers van seksueel geweld wil helpen, of beter nog voorkomen. Maar als wij onze resultaten niet meten, kunnen wij ook niet weten of dat lukt. Het is cruciaal dat we niet alleen doen, maar ook onderzoeken wat we doen. Zodat daadwerkelijk minder kinderen slachtoffer worden van seksueel geweld, en zodat de kinderen die dat onverhoopt toch worden zo min mogelijk te lijden hebben. Alleen als we meten, weten we dat we op de goede weg zijn en dat de kinderen die wij willen helpen ook echt geholpen zijn.