Communicatie over recidiverisico zedendelinquenten verstoord

Communicatie over recidiverisico zedendelinquenten verstoord

Over het recidiverisico van zedendelinquenten wordt niet adequaat gecommuniceerd in het strafproces. Dit komt doordat er te weinig gedeelde kennis is, blijkt uit het rapport ‘Gewogen risico’ van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen. Gedragsdeskundigen, reclasseringswerkers, officieren van justitie en rechters kennen bijvoorbeeld aan de term ‘gemiddeld risico’ een andere kans op recidive toe. Daardoor bestaat de kans dat zedendelinquenten onder- of overbehandeld worden.

In strafzaken doen een rapporteur pro Justitia (pJ) – een psycholoog of psychiater – en een reclasseringswerker onderzoek naar de persoonlijkheid, de levensinvulling en het risico op een nieuw delict van de dader, zodat ze de officier van justitie en de rechter kunnen adviseren over mogelijke behandeling van de delinquent. Op basis van dit advies kan de officier van justitie een bepaalde behandeling eisen. De rechter beslist vervolgens op basis van de adviezen en de eis of de delinquent wel of niet behandeld moet worden en wat de intensiteit van de behandeling moet zijn.

Passende behandeling

Nationaal Rapporteur Corinne Dettmeijer-Vermeulen: ‘Een zedendader waarvan het risico dat hij opnieuw de fout ingaat hoog is moet een intensieve behandeling krijgen, een dader met een laag risico heeft geen behandeling nodig of hoogstens een heel beperkte. Dat klinkt logisch, en het blijkt ook de beste benadering te zijn om nieuwe delicten te voorkomen. Daarvoor is het van belang dat de adviezen van de rapporteur pJ en de reclasseringswerker kloppen en dat ze goed worden begrepen. Dat is nu nog niet altijd het geval.’

Laag-gemiddeld-hoog risico

De vragenlijst van de Nationaal Rapporteur is door 221 gedragsdeskundigen, reclasseringswerkers, officieren van justitie en rechters ingevuld. Hieruit blijkt dat zowel de experts (gedragsdeskundigen en reclasseringswerkers) als de partij die zij adviseren (officieren van justitie en rechters) te weinig gedeelde kennis hebben over wat precies het risico is dat zij proberen te beperken. Zowel binnen als tussen de beroepsgroepen bestaan uiteenlopende interpretaties over welke kans op recidive precies bij een ‘hoog’, ‘laag’ of ‘gemiddeld’ recidiverisico hoort. Alle groepen overschatten ook het gemiddelde recidiverisico ten opzichte van bekende recidivecijfers. Dit kan betekenen dat wanneer een reclasseringswerker ‘gemiddeld recidiverisico’ opschrijft, de rechter daar een hoger risico onder verstaat dan de reclasseringswerker voor ogen heeft. En beiden verstaan er een hoger risico onder dan officiële recidivecijfers rechtvaardigen.

Onder- en overbehandeling

Wanneer een verkeerde inschatting van het risico leidt tot onderbehandeling kan dit tot gevolg hebben dat de dader een gevaar blijft voor de maatschappij. Ook overbehandeling is onwenselijk. Het wel behandelen van daders met een laag recidiverisico kan hun recidiverisico juist verhogen, doordat zij in aanraking komen met hoger risico daders. Bovendien wordt er in dat geval geld verspild.

Weinig gedeelde kennis

De betrokken beroepsgroepen moeten volgens de Nationaal Rapporteur hun kennis vergroten over algemene recidive, risiconiveaus en kansberekening bij zedenzaken. ‘Ook moeten ze die kennis met elkaar afstemmen en moeten ze afspraken maken over welke methoden gebruikt worden om risico te omschrijven.’

Over het rapport

Het rapport ‘Gewogen risico’ bestaat uit twee delen. Deel 1 gaat over de communicatie over recidiverisico van zedendelinquenten. In deel 2 wordt ingegaan op de vraag of informatie over risico op de juiste manier wordt vastgesteld en of de rechter de juiste beslissing over behandeling neemt op basis van die informatie. Deel 2 verschijnt ook in de eerste helft van 2017.