Kinderpornografie blijft slachtoffers achtervolgen

Kinderpornografie blijft slachtoffers achtervolgen

Voor het eerst is onderzoek gedaan naar de ervaringen van slachtoffers van kinderpornografie. Honderdvijftig slachtoffers uit verschillende landen hebben via internet deelgenomen aan een vragenlijst opgezet door het Canadian Centre for Child Protection. Dat deze slachtoffers niet alleen misbruikt zijn, maar dat hier beeldmateriaal van is dat mogelijk nu nog circuleert, blijkt een extra component toe te voegen aan hun slachtofferschap. Zo geven 71 slachtoffers aan dat ze bang zijn om herkend te worden.

‘De impact van het feit dat er beelden van het misbruik zijn en mogelijk altijd blijven moeten we niet onderschatten. Het geeft de slachtoffers het gevoel dat ze de controle over hun leven kwijt zijn’, zegt Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen Corinne Dettmeijer, die het onderzoek mede begeleidde. Een slachtoffer in het onderzoek vertelt: ‘Het ligt op straat en iedereen kan het zien. Als iemand langsloopt, weet ik niet of diegene het gezien heeft. Dat vind ik heel moeilijk.’ Dertig slachtoffers geven aan ook daadwerkelijk benaderd te zijn door iemand die hen had herkend van beelden die online stonden.

Therapie

Veel slachtoffers vinden het moeilijk om iemand anders over het misbruik te vertellen. Ook blijkt dit niet altijd tot verbetering van hun situatie te leiden. 26 slachtoffers namen iemand in vertrouwen terwijl het misbruik nog gaande was, maar dit leidde er in zestien gevallen niet toe dat het misbruik stopte. Therapie die ze hebben gehad ervaren slachtoffers vaak als ontoereikend. Dettmeijer herkent dit: ‘We weten nog te weinig over de behoeften van deze slachtoffers, waardoor we hen vaak niet kunnen bieden wat ze nodig hebben. Eerder onderzoek toonde aan dat therapeuten het moeilijk vinden om hulp te bieden voor deze problematiek. We moeten hier zeker meer onderzoek naar doen.’

Webcrawler

Het Canadian Centre adviseert om een webcrawler te gebruiken die continu geautomatiseerd het openbare internet afzoekt en melding maakt van kinderpornografisch materiaal, zodat het verwijderd kan worden. In Nederland wordt zo’n webcrawler nog niet gebruikt, terwijl Nederland wereldwijd op de tweede plaats staat als het gaat om het hosten van kinderpornografie. Dettmeijer: ‘De techniek is er, dus de politie moet hier nu echt mee aan de slag. Het is een efficiënte manier om kinderpornografie die nog circuleert van het web te verwijderen, wat erg belangrijk is voor de slachtoffers.’

Schadevergoeding

Ook aan erkenning blijken slachtoffers behoefte te hebben, bijvoorbeeld in de vorm van een vergoeding. De rapporteur pleitte er eerder voor dat slachtoffers de mogelijkheid geboden wordt om op de hoogte gesteld te worden wanneer hun materiaal opduikt in een strafzaak, zodat zij via de rechter een schadevergoeding kunnen vragen. Dit ook omdat in het onderzoek wordt aangegeven dat het vinden of houden van werk of het afronden van een opleiding vaak niet lukt.

Seksueel misbruik

Een opvallend resultaat is dat maar liefst 74 respondenten aangeven te zijn misbruikt door meerdere daders die samenwerkten. Andere resultaten sluiten meer aan bij de kennis die er al is over seksueel misbruik in het algemeen. Zo geven 85 slachtoffers aan dat het misbruik begon vóór hun vijfde verjaardag. In kinderpornografisch materiaal worden vaak kinderen jonger dan vijf jaar gezien. Dettmeijer: ‘De politie verhoort deze kinderen niet, wat kan betekenen dat we deze slachtoffers missen. Het is belangrijk om wel aandacht voor deze groep te hebben.’ Net zoals bij seksueel misbruik in het algemeen, komt de dader ook bij de zaken in dit onderzoek vaak uit de vertrouwde omgeving van het kind: 63 slachtoffers gaven aan dat de dader bij hen in huis woonde.

Het onderzoek

De Nationaal Rapporteur maakte deel uit van de internationale werkgroep die het onderzoek heeft begeleid. Dettmeijer: ‘Kinderpornografie kent geen grenzen, dus daarom is het goed dat dit onderzoek internationaal is opgezet.’ De vragenlijst is vertaald dankzij de steun van Fonds Slachtofferhulp, Terre des Hommes, Pro Juventute en Stichting Achmea Slachtoffer en Samenleving, die de oproep ook hebben gedeeld in hun netwerk. Bijna de helft van de respondenten is Nederlands. Dettmeijer: 'Het opnemen van seksueel misbruik van een kind en het verspreiden van de beelden is helaas makkelijker geworden. Daarom is het belangrijk om de verhalen van de slachtoffers te horen, zodat we hen beter kunnen erkennen en ondersteunen.’

Naar aanleiding van dit onderzoek stuurde Nationaal Rapporteur Corinne Dettmeijer-Vermeulen een brief aan de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.