Isoleren zedendelinquenten niet de juiste weg

Verreweg de meeste zedendelinquenten keren op termijn terug in de samenleving, of vertrekken er nooit uit. Vooral in het geval van plegers van seksueel geweld tegen kinderen leidt dit met enige regelmaat tot maatschappelijke onrust. Bewoners van de wijk waar de zedendelinquent zich (weer) wil vestigen zijn bezorgd dat hun kinderen gevaar lopen en zouden graag zijn terugkeer willen voorkomen. Burgemeesters trekken zich de onrust aan en proberen hun burgers tegenmoet te komen, bijvoorbeeld door de terugkeer te blokkeren (zoals in het geval van Sytze van der V. die een, later onrechtmatig verklaard, gebiedsverbod kreeg voor de gehele gemeente Eindhoven), of aan voorwaarden te verbinden, zoals in het geval van Jan Willem H., tegen wie de burgemeester van Veenendaal een kort geding heeft aangespannen om aanvullende afspraken te maken bij zijn terugkeer.

Plegers van seksueel geweld tegen kinderen

De maatschappelijke onrust komt deels voort uit een bekend beeld van de pleger van seksueel geweld tegen kinderen: een bij een speeltuin posterende man die met snoepjes hem onbekende kinderen mee naar huis lokt. Dit beeld behoeft echter enige nuancering.

Verreweg het meeste seksuele geweld tegen kinderen wordt gepleegd door hen bekende daders. Anders gezegd, verreweg de meeste plegers van seksueel geweld tegen kinderen hebben het voorzien op kinderen uit hun eigen omgeving, zoals bijvoorbeeld het gezin. Deze plegers weren uit speeltuinen en parken voorkomt daarmee niet dat zij hun delict herhalen.

Ook is lang niet iedere pleger van seksueel geweld tegen kinderen pedofiel, dat wil zeggen , iemand die een stabiele seksuele voorkeur heeft voor kinderen. De meeste plegers zijn zogeheten situationele daders: zij kwamen tot hun delict deels door omstandigheden: ze komen bijvoorbeeld moeilijk in contact met meer adequate seksuele partners. Recidive van dergelijke daders kan beter voorkomen worden door de oorzaken van hun delict (bijvoorbeeld sociale isolatie) weg te nemen.

Afbeelding Symposium

Recidivegevaar

Niet iedere pleger loopt hetzelfde risico opnieuw een delict te plegen. Het recidiverisico van een veroordeelde zedendelinquent hangt met een aantal factoren samen. Zo is de kans op terugval bijvoorbeeld groter bij plegers die hen onbekende slachtoffers gemaakt hebben, bij plegers die jonge slachtoffers gemaakt hebben, en bij plegers die mannelijke slachtoffers gemaakt hebben. Het recidivegevaar kan het beste ingeschat worden door gebruik te maken van een systematisch risicotaxatie instrument. Specifiek voor zedendelinquenten is in Canada bijvoorbeeld een set instrumenten ontwikkeld die op basis van grootschalig recidive-onderzoek voorspellen wat het risico op terugval van een delinquent is gebaseerd op een aantal kenmerken.

Veranderende risicofactoren

Naast onveranderlijke risicofactoren zoals bovengenoemde, die maken dat iemand een hoger of lager basisrisico op recidive heeft, zijn er ook risicofactoren die meer dynamisch van aard zijn. Zo zijn het ontbreken van belangrijke, positieve, sociale contacten, sociale afwijzing of eenzaamheid, negatieve emoties, of het ontbreken van een goede samenwerking met toezichthouders factoren die kunnen samenhangen met het risico op recidive.

Resocialisatie

Voor een veilige heropname van zedendelinquenten in de samenleving is het dus belangrijk die risicofactoren die veranderbaar zijn ten positieve te beïnvloeden: door te stimuleren dat de delinquent een sociaal netwerk heeft, dat hij kan deelnemen aan de samenleving, dat hij in het algemeen positief naar zijn leven kan kijken en dat hij goed samenwerkt met instanties waar hij mee te maken krijgt. Hoe begrijpelijk ook, het willen uitsluiten van een ex-zedendelinquent, hem willen opjagen en wegjagen, het maakt de samenleving niet veiliger: de delinquent kan geïsoleerd raken, en de neiging krijgen vooral boos te zijn op instanties die hem juist zouden kunnen helpen.

Een interventie als het project COSA (Cirkels voor Ondersteuning, Samenwerking en Aanspreekbaarheid) van Reclassering Nederland beoogt zedendelinquenten dan ook juist weer in de samenleving mee te laten draaien: vrijwilligers vormen een (tijdelijk) sociaal netwerk om een ex-zedendelinquent, en helpen hem zo weer een leven op te bouwen. Deze interventie is bewezen effectief in het terugdringen van recidive.

Toezicht

Doorgaans wordt een zedendelinquent die terugkeert in de samenleving ook niet zonder meer vrijgelaten. Zowel aan het einde van detentie als aan het einde van TBS volgt eerst nog een periode van voorwaardelijke invrijheidsstelling respectievelijk voorwaardelijke beëindiging van TBS. In deze periode moet de ex-delinquent zich houden aan een aantal door de rechter opgelegde voorwaarden, en ziet een reclasseringsinstantie toe op de naleving ervan. Voorbeelden van voorwaarden kunnen zijn een locatieverbod (de onder toezicht gestelde mag ergens niet komen, bijvoorbeeld in de buurt waar zijn slachtoffers wonen), een locatiegebod (de onder toezicht gestelde moet op bepaalde tijden op een bepaalde locatie zijn, bijvoorbeeld, hij moet ’s avonds en ’s nachts thuis zijn), het volgen van een behandeling, of het niet nuttigen van alcohol. De betrokken reclasseringsinstantie (voor zedendelinquenten overwegend Reclassering Nederland, maar het Leger des Heils en Stichting Verslavingsreclassering vervullen ook een reclasseringstaak) ziet toe op het naleven van dergelijke voorwaarden.

Burgemeesters

Ondanks bovengenoemde maatregelen kan de terugkeer van een zedendelinquent in de wijk voor onrust zorgen. Burgemeesters trekken zich de zorgen van burgers aan en proberen die weg te nemen. Het project Bestuurlijke Informatievoorziening Justitiabelen (BIJ) biedt hen hiertoe ook handvatten: in dit project krijgen burgemeesters via het ministerie van Veiligheid en Justitie tijdig informatie over de terugkeer van plegers van bepaalde, ernstige, delicten. Als de burgemeester inschat dat deze terugkeer tot maatschappelijke onrust zal leiden kan hij of zij maatregelen treffen. In mei 2013 heeft staatssecretaris Teeven besloten dat alle gemeenten aangesloten moeten worden bij BIJ.

Echter, de maatregelen die een burgemeester kan treffen zijn beperkt. Zo kan een burgemeester een ex-delinquent die niet vrijwillig meewerkt niet tot verhuizing dwingen. Een recent onderzoek in opdracht van het programma Politie & Wetenschap vestigde de aandacht op één juridische mogelijkheid die hen openstaat: de burgemeester behartigt het collectieve belang van zijn burgers (waaronder de slachtoffers van de ex-delinquent) en spant namens hen een civiele procedure tegen de ex-delinquent aan (art. 305b BW).

Veenendaal

De burgemeester van Veenendaal heeft nu een dergelijke procedure aangespannen. Deze zaak betrof echter, anders dan in het onderzoek van Politie en Wetenschap bedoeld, niet de terugkeer van een zedendelinquent in een wijk waarin ook zijn slachtoffers wonen. Het delict waarvoor Jan Willem H. zijn straf nu heeft uitgezeten is het bezit van kinderpornografie, en eerder werd hij veroordeeld voor ontucht met een neefje. De afweging tussen de belangen van de ex-delinquent enerzijds en de buurtbewoners anderzijds ligt in deze zaak dus anders dan wanneer het zou gaan om een buurt waar de slachtoffers wonen. Ook wil de burgemeester Jan Willem H. niet proberen uit de wijk te verwijderen, maar juist hem binnen de wijk aan maatregelen te onderwerpen, waaronder het niet mogen komen op plekken waar minderjarigen zich kunnen ophouden.

De rechter in deze zaak heeft de gemeente Veenendaal niet ontvankelijk verklaard in haar verzoek. De gang van de gemeente naar de civiele rechter noemt de rechter een ‘onaanvaardbare doorkruising van het publieksrecht’. Ook wijst de rechter erop dat alleen een strafrechter beschikt over alle benodigde informatie om een ‘gewogen beslissing over de noodzaak van de door de gemeente gewenste maatregelen’ te nemen. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter het volgende: er zijn geen aanwijzingen dat de man sinds zijn vrijlating onrechtmatig handelt of gaat handelen, en daarbij houdt de man zich aan de opgelegde maatregelen van de strafrechter. Het verzoek van de gemeente Veenendaal de heer H. aanvullende voorwaarden op te leggen  zou dus ook bij een inhoudelijke behandeling zijn afgewezen. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter verder op dat: ‘de in het kader van de strafzaak uitgebrachte psychiatrische rapportage vermeldt dat het van belang is dat “zijn sociale inbedding wordt bestendigd”. Van belang is dan ook dat [gedaagde] - met in achtneming van de in het strafvonnis opgelegde maatregelen - een zo veel als mogelijk normaal sociaal leven kan leiden. Een situatie waarbij hij bij elke beweging buitenshuis op zijn hoede moet zijn en het risico loopt te worden aangesproken op overtreding van de hem toegemeten bewegingsvrijheid, is niet bevorderlijk voor zijn sociale inbedding.’