Evaluatie Wet Nationaal Rapporteur ‘Schieten op bewegend doel’

De Nationaal Rapporteur verricht haar taken op een hoog niveau en met veel inzet. Er is geen reden om de taakomschrijving aan te passen of de taakuitvoering sterk bij te sturen. Dat is één van de conclusies van de onderzoekscommissie van Pro Facto in de evaluatie van de Wet op de Nationaal Rapporteur. In het onderzoek ‘Schieten op een bewegend doel’, waarmee mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen als steeds veranderend fenomeen wordt bedoeld, komen ook kritiekpunten en suggesties voor verbetering naar voren.

De waardering van externen voor de taakuitvoering door de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen is groot. De rapporten en aanbevelingen worden gewaardeerd, de onafhankelijkheid en het gezag benadrukt en de aanpak en het bewustzijn van seksueel geweld tegen kinderen en mensenhandel worden volgens de commissie dankzij de Nationaal Rapporteur versterkt. Het merendeel van de aanbevelingen van de Nationaal Rapporteur wordt opgevolgd. De Nationaal Rapporteur en de rapporten die zij publiceert worden met regelmaat aangehaald in de Tweede Kamer. Haar kennis van zaken, haar strijdbare houding en haar agenderende functie worden in het bijzonder geprezen.

Weerstand

Kritische geluiden zijn er ook. Deze lijken zich met name te richten op de weerstand die de Nationaal Rapporteur soms oproept ‘door de rechtstreekse, onverbloemde en soms confronterende wijze waarop vraagstukken in rapporten en andere uitingen worden behandeld’. Deze weerstand kan gezien worden als een effect van wat in het rapport als het sterkste punt van de Nationaal Rapporteur naar voren komt: ‘zij is een buitengewoon gezaghebbende functionaris die geheel autonoom en met kracht van argumenten haar eigen oordelen velt en die niet nalaat om zoveel mogelijk die inzichten en oordelen onder de aandacht van beleidsmakers en praktijkwerkers te brengen.’

Onderzoeksagenda

Punt van aandacht is volgens de geënquêteerden dat het blikveld van de rapporteur verbreed zou kunnen worden door naast de juridische invalshoek ook de perspectieven van andere (sociaalwetenschappelijke) disciplines bij het onderzoek te betrekken. Ook heeft de onderzoekscommissie in het rapport ideeën opgeworpen over onder meer begeleidingscommissies voor onderzoeken, periodieke onderzoeksvisitatie en een raadgevend forum dat adviseert over de onderzoeksagenda van de rapporteur.

Verschillende rollen

De huidige Nationaal Rapporteur Corinne Dettmeijer-Vermeulen heeft vanaf haar benoeming in 2006 veel werk gemaakt van het opbouwen en uitbouwen van een uitgebreid (internationaal) netwerk. Ook heeft de rapporteur door de jaren heen steeds meer zowel een onderzoekstaak als een adviestaak op zich genomen, zoals die ook is toebedeeld in de wet. De commissie constateert een zekere grensvervaging gaande is ten aanzien van beide rollen: ‘Het ware te overwegen in de toekomst duidelijk(er) te markeren dat de Nationaal Rapporteur weliswaar adviseert, maar dat de verantwoordelijkheid voor beleidsvorming, uitvoering en toepassing van de wet elders ligt.’

Dataverzameling

Voor de verwerving van gegevens voor de verschillende rapportages is de Nationaal Rapporteur in belangrijke mate afhankelijk van de registraties en meldingen van allerlei instanties, zowel binnen de overheid als in het veld van maatschappelijke organisaties zoals hulpverleningsinstellingen. Dit is niet bij alle organisaties even goed geborgd, waardoor verschillende onderzoeken van de rapporteur vastliepen of vertraging opliepen door problemen met dataverzameling. De onderzoekscommissie geeft de minister daarom in overweging om over te gaan tot een aanscherping van de informatierechten van de Nationaal Rapporteur, onder andere via een wettelijk verankerd inzagerecht in gegevens.

Wettelijke evaluatie

Op grond van artikel 9 van de Wet Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen wordt het instituut elke vier jaar geëvalueerd. Pro Facto heeft van het WODC (ministerie van Veiligheid en Justitie) de opdracht gekregen deze evaluatie uit te voeren. Voor het onderzoek is een documentstudie verricht en er zijn 35 personen geïnterviewd, waaronder medewerkers van het bureau van de Nationaal Rapporteur. Daarnaast is een digitale enquête uitgezet onder bijna 600 betrokkenen die te maken hebben met de Nationaal Rapporteur.